Category

Artikelen & publicaties

Artikelen & publicaties

Strategische samenwerking in gebiedsontwikkeling

[Voor u op het web gevonden, een interessante publicatie van de vernieuwde Stad, Aedes en NEPROM]

De meeste ruimtelijke investeringen in bestaand stedelijk gebied worden gedaan door maatschappelijke organisaties en marktpartijen. Het is zaak dat op het niveau van gebiedsontwikkelingen deze partijen in een vroegtijdig stadium om tafel gaan. Dan kunnen ze zien waar investeringen op elkaar kunnen aansluiten en waar ze elkaar kunnen versterken. Op die manier kan efficiënt en effectief uitvoering worden gegeven aan het brede palet aan opgaven in het stedelijk gebied. Die opgaven liggen op het terrein van het toevoegen van nieuwbouw, de verduurzaming en kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad, de betaalbaarheid van huurwoningen, en het verbeteren van het leefklimaat in buurten en wijken.

Integrale langjarige samenwerking tussen corporaties, marktpartijen en gemeenten biedt daarbij legio kansen. Hoewel bij aanvang de belangen en de uitgangsposities van corporaties en marktpartijen van elkaar verschillen, is er voor elk voldoende plek en uitdaging om samen verder aan de stad te bouwen. De synergie die dit oplevert, betaalt zich uit in een meer betaalbaar en gedifferentieerder woningaanbod en helpt bij het tegengaan van ruimtelijke segregatie. Via nevenstaande link kunt u de publicatie downloaden.

Continue reading
Artikelen & publicaties

Ketengericht samenwerken bij installatieonderhoud

[MRE scriptie verkregen van Ernie van Dalen en alhoewel al een flink aantal jaren oud, deels nog steeds actueel]

Op 12 november 2012 werd door woningcorporatie Stichting Ymere de overeenkomst getekend met Feenstra en TBI-Bedrijf Comfort Partners voor het installatiebeheer van ca. 80.000 installaties in de woningvoorraad van Ymere (“Ymere kiest TBI-Bedrijf Comfort Partners voor resultaatgericht installatiebeheer,” 2012). Een enorme stap voor Ymere en beide installatiebedrijven. Immers, voordien werd het onderhoud van de installaties uitgevoerd door ca. 16 verschillende partijen en nu ondergebracht bij nog slechts 2. Als directeur van het TBI bedrijf Comfort Partners was de auteur destijds zeer nauw betrokken geweest bij alle fasen van de aanbesteding- en gunningprocedure tot en met de ondertekening van het contract. Gelijktijdig zocht hij een geschikt onderwerp voor deze scriptie.

De aanpak van Ymere sprak de auteur enorm aan. In deze aanpak is nadrukkelijk gezocht naar een vorm van samenwerking welke is geënt op een langdurige vorm van samenwerking. Waarbij openheid en transparantie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer belangrijk zijn alsmede de wil en wens tot het realiseren van een win-win (synergie) situatie voor opdrachtgever, opdrachtnemer en gebruiker (de bewoner). Het doel was, en is, werkelijk samenwerken in de keten. Daarnaast krijgt het thema “ketensamenwerking” vanuit fabrikanten (AWB, 2012), toeleveranciers, aannemers en opdrachtgevers in de bouwwereld steeds meer aandacht als een nieuwe manier van samenwerken die mogelijk ook kan bijdragen aan een oplossing voor de malaise in de bouw.

Vanuit deze actualiteit en een sterk geloof in de aanpak van “samenwerken is samen sterker”, is het onderwerp voor de scriptie voor de MRE opleiding aan de ASRE gekozen. Geen “kant en klare” oplossing voor alle problemen, maar wel een bijdrage aan wellicht een andere manier van denken en werken, welke is gericht op een beter resultaat voor alle partijen. Via nevenstaande link kunt u het rapport downloaden.

Continue reading
Artikelen & publicaties

Dura Vermeer en Lomans bundelen krachten

Ik kwam een interessant artikel tegen dat beschrijft hou Dura Vermeer en Lomans (installateur) strategisch samenwerken bij de realisatie van projecten. Het geeft een inkijkje in wat er nodig is om op ketensamenwerking level III (het stroomlijnen van de samenwerking tussen zelfstandige organisaties) gedaan kan worden om een dergelijke samenwerking tot stand te brengen. Via nevenstaande link kunt u de publicatie bestuderen.

Continue reading
Artikelen & publicaties

Wat er nodig is om een excellente keten of ketenspeler te worden?

Auteur: dr.ing. Marcel Noordhuis (m.noordhuis@ketenmanagement.com), gepromoveerd (Nyenrode) op zijn onderzoek naar de impact van ketensamenwerking op de reductie van faalkosten bij het ontwikkelen, bouwen en onderhouden van vastgoed (woningen).


Stelling: Het is een keten, we werken samen dus we doen aan ketensamenwerking?!

1. Inleiding

In de afgelopen jaren zien we steeds meer opdrachtgevers en opdrachtnemers die zich realiseren dat het aangaan van strategische samenwerking gebaseerd op de principes van ketensamenwerking, de oplossing zou kunnen zijn om de steeds complexere vraagstukken rondom o.a. de verduurzaming te kunnen managen, waardoor faalkosten kunnen worden voorkomen en de prijs/prestatie in de samenwerking structureel kan worden verbeterd.

Een van de achterliggende gedachten achter excellent samenwerken in multidisciplinaire teams is, dat het pas mogelijk is prestatiedoorbraken te bereiken, als partijen langdurig (project overschrijvend) samenwerken. Hierbij dient dan wel serieus gestuurd te worden op het samenstellen van teams die leren van hun fouten zodat de foutkans van project op project steeds kleiner wordt. Niet alleen hebben teams enige tijd nodig om elkaar goed te leren kennen[1] en te snappen (zie figuur 1), maar leert de theorie ons ook dat leercurve effecten met name optreden als partijen over projecten heen, liefst met dezelfde kernbezetting, projecten blijven uitvoeren.

Figuur 1: Stages of team development (Tuckman)

Het werken met vaste (multidisciplinaire) teams is een van de achterliggende mechanismen waar ketensamenwerking op gebaseerd is. Maar het implementeren van ketensamenwerking heeft meer consequenties dan alleen het werken met vaste teams. Hiernavolgend zal dat nader worden toegelicht. We staan hierbij stil bij de definitie, de niveaus van ketensamenwerking, maar ook de kenmerken van organisaties die aan ketensamenwerking doen (zowel individueel) alsook in samenwerkingsverbanden met externe organisaties.

We hopen met dit artikel dan ook meer begrip te kweken over wat er komt kijken bij de inrichting van de eigen organisatie alsook de organisatie van samenwerkingsverbanden als men daadwerkelijk een excellente keten of ketenspeler wenst te worden.


2. Wat is ketensamenwerking?

Ketensamenwerking[2] (ook wel supply chain collaboration, supply chain management, partnering genoemd) gaat over het systematisch, strategisch coördineren van traditionele functies (bv inkoop, productie, verkoop) binnen bedrijven en tussen bedrijven, met als doel om de lange termijn prestatie van zowel de individuele betrokken organisaties alsook voor de keten als geheel langdurig te verbeteren (win-win). Er bestaat dan ook een interne (niveau 1 en 2) en externe variant (niveau 3) van ketensamenwerking [3].

Interne ketensamenwerking – niveau 1: stroomlijnen samenwerking tussen afdelingen van hetzelfde bedrijf.

Houdt zich bezig met het optimaliseren van de samenwerking tussen afdelingen van een individuele organisatie. De basisgedachte achter ketensamenwerking op het eerste niveau is dat het optimale resultaat pas behaald wordt, als de verschillende afdelingen gecoördineerd met elkaar samenwerken en dat beslissingen die er in de losse afdelingen genomen worden, altijd afgestemd worden met de andere afdelingen zodat de totale prestatie die de organisatie levert daar niet onder leidt (dus wat goed is voor de een, niet ten koste gaat van de andere afdelingen).

Interne ketensamenwerking – niveau 2: stroomlijnen samenwerking tussen werkmaatschappijen van hetzelfde bedrijf.

Ketensamenwerking op het tweede niveau richt zich op de optimalisatie van de samenwerking van verschillende werkmaatschappijen van hetzelfde concern. Hierbij richt het zich op de optimalisatie van uitwisseling van kennis, diensten, goederen en informatie alsook de activiteiten en doelstellingen binnen de verschillende werkmaatschappijen.

Werkmaatschappijen die in ketensamenwerking met elkaar samenwerken presenteren zich over het algemeen ook met één gezicht naar de leveranciers (bijvoorbeeld door gezamenlijke inkoop) en naar de opdrachtgevers (strategisch accountmanagement) en zijn ook sterk bezig om alle activiteiten (data uitwisseling, contracteren, rapporteren) zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.

Ketensamenwerking van het tweede niveau is nog steeds sterk gericht op de stroomlijning van de interne samenwerking. Net als op het eerste niveau kan deze samenwerking hiërarchisch worden afgedwongen, immers afdelingen en werkmaatschappijen vallen onder één bedrijf en binnen dat bedrijf is er een organisatiestructuur waarbinnen de onderlinge afstemming impliciet of expliciet wordt geregeld.

Externe ketensamenwerking – niveau 3: stroomlijnen samenwerking tussen zelfstandige organisaties die geen onderdeel zijn van hetzelfde concern.

Ketensamenwerking op het derde niveau heeft als kenmerk dat de verschillende betrokken partijen autonome zelfstandige organisaties zijn. Verschillende zelfstandige organisaties werken hierbij samen om het resultaat van alle betrokken partijen langdurig en duurzaam te verbeteren. Anders dan op de eerste twee niveaus, is op het derde niveau geen sprake van enige hiërarchische structuur; deze keten heeft immers geen eigenaar. Dit betekent dat op het derde niveau alleen tot samenwerking gekomen kan worden als alle partijen van deze samenwerking profiteren. Dit wordt vaak aangeduid als ‘win-win’.

Concreet betekent dit dat de individueel betrokken organisaties het belang en de toegevoegde waarde dienen te onderkennen om middels ketensamenwerking (partnering) samen te werken en daarmee het individuele organisatiebelang koppelen aan het belang van de ‘keten’ en daarmee aan het belang van de overige spelers uit de keten. Het implementeren van ketensamenwerking op het derde niveau, is nog meer dan op het eerste en tweede niveau, een uitdaging omdat er geen eigenaar is die zijn bedrijfsonderdelen kan opdragen om het individuele organisatiebelang ondergeschikt te maken aan het belang van de keten.

Er zal dan ook samengewerkt dienen te worden vanuit een intrinsieke motivatie, vanuit een strategisch geloof dat de verschillende partners in de keten hebben (sleutelfiguren van hoog tot laag bij de betrokken organisaties) dat vergaande coördinatie, informatiedeling en het gezamenlijk nemen van beslissingen uiteindelijk leidt tot betere prestaties voor de gehele keten en voor de individuele organisaties binnen de keten. Als die ‘voordelen’ eenmaal behaald worden dan is de verwachting dat de verdere professionalisering binnen de keten steeds gemakkelijker zal zijn.

Continue reading
Artikelen & publicaties, Resultaten (cijfers) - praktijk

Ervaringen van 20 jaar ketensamenwerking

Mooi om het verhaal van Egbert Kunst/GroenWest te lezen waarin verslag gedaan wordt van de jarenlange inspanning om ketensamenwerking tussen verschillende partijen in de keten te laten slagen. Zoals we al wisten vergt het een lange adem en gaat het niet alleen over techniek en stenen, maar ook over de organisatie van de samenwerking anders vormgeven. In mijn periode als promovendus en als consultant ben ik al op zoek geweest naar voorbeelden in de NL bouw waarin we konden laten zien dat ketensamenwerking niet alleen in theorie maar ook in de praktijk grote waarde heeft. Mooi ook dat ik aan en af zelf een steentje heb mogen bijdragen aan de vormgeving van de samenwerking bij GroenWest en nog mooier dat daar mensen zitten die ondanks tegenslagen toch koersvast blijven en daar nu samen de vruchten van plukken. Dikke pluim voor de partners en voor Egbert!

Continue reading
Artikelen & publicaties

Inzicht in beleidsacties richting een Circulaire Economie

– Publicatie van Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) 2020 –

De Nederlandse rijksoverheid streeft naar een circulaire economie in 2050. Om deze overgang te stimuleren heeft zij doelen en acties beschreven voor beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De doelen en acties om deze transitie te versnellen staan beschreven in het Uitvoeringsprogramma circulaire economie 2019 het Rijksbrede programma circulaire economie (2016) en de Transitieagenda’s (2018). Vijf sectoren hebben voorrang: biomassa en voedsel, kunststoffen, de maakindustrie, consumptiegoederen en de bouw.

Inmiddels zijn de acties in het Uitvoeringsprogramma goed van start gegaan: in september 2019 was ruim tachtig procent in uitvoering. Om de versnelling naar de circulaire economie te realiseren, beveelt het RIVM de overheid aan om concreter te benoemen welke veranderingen Nederland in gang wil zetten. Dit maakt het makkelijker om te bepalen welke acties nodig zijn. Ook is daardoor beter te monitoren welke verandering per sector plaatsvindt.

Het RIVM heeft geanalyseerd op welk type actie de nadruk ligt in de drie genoemde beleidsdocumenten. Er blijkt nog vrij weinig aandacht te zijn voor hergebruik en reparatie van producten en materialen, en voor productontwerp. Deze aandacht is nodig voor de gewenste versnelling, wat betrokken partners in reflectiebijeenkomsten bevestigen. Het RIVM beveelt ook aan gedetailleerder in kaart te brengen waar acties per sector zich vooral op richten.

Uit de inventarisatie blijkt dat voor een deel van de acties data over de voortgang ontbreken. Voor een goede monitoring is het belangrijk om deze informatie voor alle acties op dezelfde wijze beschikbaar te hebben. Het bleek waardevol om de analyse van de nadruk en de voortgang met alle betrokken partners te bespreken. Het resultaat is te gebruiken voor de jaarlijkse actualisatie van het uitvoeringsprogramma. Om de resultaten van de acties te kunnen gaan meten, stelt het RIVM per sector indicatoren voor. Denk aan de mate waarin overheden circulair inkopen en de bouwsector materialenpaspoorten gebruikt. Veel data voor de indicatoren kunnen uit bestaande lokale bronnen worden gehaald, maar zijn nog niet structureel beschikbaar. Aanbevolen wordt voor een aantal indicatoren gericht data te verzamelen, te beginnen met indicatoren waarvoor data beschikbaar zijn. Via nevenstaande link kunt u de gehele rapportage downloaden.

Continue reading
Artikelen & publicaties

Inefficiëntieschade in de bouw en installatietechniek

‘- Door mr.dr. Marcel Ruygvoorn (Van Benthem & Keulen) –

Tijd is geld en dat betekent dat een aannemer er groot belang bij heeft om zijn werkzaamheden zo efficiënt mogelijk te verrichten. Dat die werkzaamheden niet altijd maximaal efficiënt zullen worden verricht, weet de aannemer ook; niet alles loopt op de bouw altijd van een leien dakje, dat weet hij en met dat gegeven zal hij, bij het bepalen van de aanneemsom, ook rekening houden. Maar wat indien de aannemer zijn werkzaamheden significant minder efficiënt kan uitvoeren dan door hem, bij het sluiten van de overeenkomst en rekening houdend met – kort gezegd – de gebruikelijke tegenvallers, was voorzien als gevolg van omstandigheden die de opdrachtgever zijn toe te rekenen? Dan leidt dit tot inefficiëntieschade die de aannemer mogelijk wil verhalen op de opdrachtgever.

In de praktijk blijkt dit laatste evenwel vaak lastig te realiseren. In dit artikel wordt ingegaan op de mogelijke juridische grondslagen voor
dergelijke claims en de praktische (bewijs)problemen waar de aannemer bij een dergelijke claim te maken heeft.

Continue reading
Artikelen & publicaties

Werkboek over hergebruiksmogelijkheden van grondstoffen en materialen in de industrie, de bouw en de stedelijke omgeving

– Dit is een uitgave van het lectoraat Building Future Cities van de Hogeschool Utrecht –

In de afgelopen drie jaar deden studenten van de Hogeschool Utrecht voor partners uit het EFRO project Werkspoorkwartier verschillende studies naar circulaire ketens. Deze projecten leidden tot nieuwe inzichten op circulaire gebiedsherontwikkeling, bouw en productieketens. In dit werkboek laten we de uitkomsten van verschillende studentenprojecten zien. Met deze case studies willen we de gevolgen van de circulaire economie voor de bouw, de industrie en de stedelijke ontwikkeling duidelijk maken voor hogeschoolstudenten en praktijkpartijen.

Het werkboek wordt gebruikt bij de specialisatie Circulaire Stad van de opleiding Built Environment. Verder gebruiken een aantal Quest-studentenprojecten van het Institute for Design & Engineering het werkboek de resultaten van voorgaande projectgroepen ten behoeve van hun eigen onderzoek. Ook bespreken we met andere opleidingen op welke manier deze of een volgende versie voor hun studenten kan worden gebruikt.

Continue reading
Artikelen & publicaties

Woonlasten neutraal koopwoningen verduurzamen

– Door Frans Schilder en Marieke van der Staak, in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving –


De analyse van de mogelijkheden van eigenaren-bewoners om hun woningen te verduurzamen toont dat de wens van woonlastenneutraliteit haast onmogelijk te realiseren valt. Permanente subsidiëring van verduurzaming lijkt onvermijdelijk zolang er geen innovaties worden gedaan die de prijzen van het verduurzamen fors verlagen. Gebouwgebonden financiering is in ieder geval niet de (financiële) innovatie die het verschil gaat maken. Beleidsmakers rond de energietransitie moeten, door de herhaaldelijke toezegging van (het streven naar) woonlastenneutraliteit, daardoor voorlopig dansen op een erg dun koord. Via nevenstaande link kunt u de gehele publicatie downloaden.

Een van de grote uitdagingen bij het verduurzamen van de woningvoorraad is de enorme heterogeniteit. Haast elke woning is weer net iets anders: one size fits all-oplossingen zijn niet eenvoudig voorstelbaar. Maar ook de bewoners zijn niet gelijk. Vanzelfsprekend zijn er  verschillen tussen personen: de een heeft de thermostaat liever een graadje hoger dan de ander. Voorkeuren kunnen verschillen. Maar er zijn ook enorme verschillen tussen groepen eigenaren-bewoners enorm zijn. De huidige maandelijkse energielasten van eenpersoons-huishoudens zijn volstrekt onvergelijkbaar met die van een gemiddeld gezin. Onze berekeningen laten dan ook vaak zien dat een investering die voor de ene groep net wel, of net niet uit kan, voor andere groepen juist helemaal niet uit kan. Tenzij in het beleid haast op microscopisch niveau rekening wordt gehouden met individuele verschillen, kan de energietransitie door die diversiteit alleen al eigenlijk niet woonlastenneutraal plaatsvinden.

Gratis geld of achtergestelde lening?
Het is een open deur: verduurzamende maatregelen worden aantrekkelijker naarmate de rente lager is. Maar onze analyse laat ook zien dat wanneer wordt uitgegaan van financieringskosten die meer passen bij een achtergestelde lening geen enkele verduurzamingsstrategie financieel aantrekkelijk meer is. Wanneer de maatregelen hypothecair gefinancierd zouden kunnen worden, komt het kantelpunt voor sommige groepen huishoudens wel in zicht. Het is dan ook niet ondenkbaar dat in voorkomende gevallen huishoudens de beperkte extra lasten voor lief nemen, bijvoorbeeld omdat ze willen bijdragen aan de klimaatdoelen. Toch zal ook het hypothecair financieren van de verduurzaming niet zo maar tot een grote versnelling in verduurzaming leiden: niets doen blijft voor veel huishoudens goedkoper dan investeren.

Woonlastenneutraal ≠ financieel aantrekkelijk
Woonlastenneutraliteit is het uitgangspunt van de overheid in de energietransitie. Dat wordt expliciet zo benoemd in het Klimaatakkoord, en resoneert sterk in bijvoorbeeld de verduurzamingsoperaties van woningcorporaties en in de verschillende wijken in de Proeftuinen  Aardgasvrije Wijken. We hebben al vastgesteld dat die woonlastenneutraliteit niet zonder meer haalbaar is: het ene huishouden is per slot van rekening het andere niet. Daar komt echter bij dat woonlastenneutraliteit alléén, een noodzakelijke, maar onvoldoende voorwaarde is voor een financieel aantrekkelijke propositie. Zelfs wanneer de maandlasten dalen, weegt de besparing in energielasten onder de meest optimistische omstandigheden nog niet op tegen de investering in de verduurzaming van de woning. Met andere woorden: zonder subsidie is de energietransitie voorlopig niet woonlastenneutraal, laat staan rendabel te maken.

Anders denken? Andere instrumenten?
De aandacht in deze notitie ligt sterk op de vraagzijde van de woningmarkt: de eigenaar-bewoner die zijn woning moet verduurzamen. De vraag is of het, in het kader van de energietransitie, effectief is om alleen naar de vraagzijde te blijven kijken. Hoeveel nut heeft het bundelen van de verduurzamingsvraag op wijkniveau als de onderlinge verschillen tussen huishoudens zo groot zijn? Is het misschien zinvoller om te focussen op het bundelen en organiseren van de aanbodzijde, dat wil bijvoorbeeld zeggen op het standaardiseren van producten en processen? Ook is het de vraag of het uitgangspunt van een woonlasten neutrale energietransitie wel zo constructief is. Wat woonlastenneutraal is voor de een, is dat niet per se voor de ander. Betaalbaarheid als uitgangspunt biedt meer mogelijkheden voor de energietransitie, omdat daarbij de woonlasten van een huishouden mogen stijgen – onder de voorwaarde dat er voldoende draagkracht is. En ook bij het ingezette beleidsinstrumentarium kan men zich afvragen hoe effectief dat is. Betere voorlichting is nuttig, maar onder de huidige financiële condities lijkt ze weinig zoden aan de dijk te gaan zetten. Een nadere verkenning naar strakker juridisch instrumentarium is wellicht interessant, vooral wanneer dat gekoppeld wordt aan het monitoren van de betaalbaarheid van de transitie.

Continue reading
Artikelen & publicaties

Bouwstenen voor een samenwerkingsvaardige organisatie

[Holland/Belgium Management Review, door Ruben van Wendel de Joode, Edwin Kaats en Wilfrid Opheij]

Samenwerkingsvraagstukken en allianties bepalen bij veel organisaties de bestuurlijke agenda. In de bestuurskamer dringt het besef door dat geen enkele organisatie nog ‘in haar eentje’ de complexe vraagstukken van deze tijd kan oplossen. Nadat er aanvankelijk veel aandacht was voor allianties en netwerken als organisatievorm en vervolgens voor het proces om tot succesvolle samenwerkingsverbanden te komen, ontstaat er de laatste tijd meer aandacht voor het vermogen van organisaties om in samenwerkingsverbanden succesvol te acteren.

Het aantal samenwerkingsverbanden groeit, maar dat wil nog niet zeggen dat het altijd goed gaat. Ongeveer de helft van het aantal allianties mislukt. Organisaties zijn daarom op zoek naar een vorm om ‘samenwerkingsvaardiger’ te worden en hun samenwerkingscompetentie te borgen. In de private sector volgen ondernemingen de voorbeelden van Philips en Eli Lilly en wordt alliantiemanagement actief ontwikkeld. Ook in de publieke sector wordt de samenwerkingsvaardige organisatie een factor van betekenis. Zo zoekt de rijksoverheid naar manieren om met minder mensen betere resultaten te boeken en ziet zij een oplossing in de regierol. Gemeenten zijn op zoek naar een organisatiemodel waarin zij, afgestemd op steeds wisselende bestuurlijke prioriteiten, flexibel kunnen opereren met partners. Wat maakt nu een organisatie samenwerkingsvaardiger dan andere organisaties? Via nevenstaande link kunt u het gehele artikel bestuderen.

Continue reading
Artikelen & publicaties

Ketens de baas; pijlers en bouwstenen voor ketensturing

Voor u gevonden het dossier ‘Ketens de baas’ door Valentijn Crijns (Belastingdienst), Erik Ruiterman (NOVARE consult B.V.), Menno Aardewijn (UWV) en Ard-Pieter de Man (Hoogleraar Management Studies aan de Vrije Universiteit Amsterdam).

Doel en opzet van ‘Ketens de baas’
‘Ketens de baas’ is in eerste instantie bestemd voor bestuurders, maar kan ook voor andere betrokkenen bij de ontwikkeling en werking van een keten een rol spelen. Het wil handvatten bieden voor ketensturing. Het leidende gezichtspunt voor dit dossier is dat de ‘hardware’ binnen ketens niet gevormd wordt door computers, maar door de ‘soft skills’ van de ketenspelers. Het zijn hun vaardigheden en kwaliteiten die doorslaggevend zijn voor het ontstaan van succesvolle ketensamenwerking, en niet de technologie.

Het dossier wil vanuit dit gezichtspunt de ketenpartijen ondersteunen bij het inrichten van ketensturing. Vanzelfsprekend is elke keten uniek. Er bestaat geen vaste handleiding, laat staan een standaard organisatie-of besturingsmodel voor ketens. Dit dossier gaat uit van het standpunt dat er geen ‘beste oplossing’ bestaat voor ketensamenwerking maar dat verschillende ketens verschillende vormen van organisatie en besturing behoeven. Het dossier biedt derhalve geen normatief voorschrift voor ketensturing. Dat neemt niet weg dat een bestuurlijke keuze voor het gebruik van voorschriften en standaarden op het gebied van architectuur en informatievoorziening in het kader van de één-overheidsgedachte ook binnen ketens voor de hand ligt. Het dossier levert, met het aanbieden van in de praktijk toegepaste en gevalideerde bouwstenen, een bijdrage aan een algemene besturingsvisie met praktische aanwijzingen voor een besturingsaanpak. Op basis daarvan kunnen ketenpartners hun eigen ‘keten de baas’ worden én blijven.

We leven in een tijd waarin publieke organisaties steeds meer in ketens en andere verbanden samenwerken. De achterliggende reden daarvoor is simpel, de burger en het bedrijf zien de overheid als één geheel, en verwachten dat overheidsorganisaties gegevens onderling delen en hun uitvoeringsprocessen op elkaar afstemmen. Als bestuurder krijg je als gevolg daarvan in toenemende mate te maken met organisatie overstijgende samenwerking.

De dagelijkse praktijk toont aan dat die samenwerking over organisatiegrenzen heen nog veel taaie problemen kent en de nodige uitdagingen met zich meebrengt. Dat maakt het om te beginnen lastig om de vooraf vastgestelde ketendoelen te halen, denk bijvoorbeeld aan de moeizame aanpak van het ‘scheefwonen’. Ketensamenwerking is niet zozeer een zaak van techniek maar ook en vooral van mensen. In een keten moeten die niet alleen elkaars processen en de onderlinge verwevenheid daartussen begrijpen, maar zij moeten ook met elkaar
samenwerken. Ketensamenwerking vergt van bestuurders dan ook dat ze niet alleen de techniek en de inhoud regelen, maar ook uitdrukkelijk aandacht besteden aan de culturele en relationele aspecten die bij die samenwerking horen. Dit roept natuurlijk allerlei vragen op.

  • Welke uitgangspunten zijn bijvoorbeeld van belang voor een succesvolle ketensamenwerking?
  • Hoe wordt voorkomen dat de individuele organisatiebelangen de horizontale samenwerking blokkeren?
  • Welke rollen en competenties zijn nodig?
  • Wat betekent dit voor bestuurders, managers en medewerkers?
  • En welke voorwaarden zijn van belang voor implementatie van een bestendige ketensamenwerking?

Inmiddels heeft een aantal ketens het stadium van de kinderziektes achter de rug en blijken zij in de praktijk te werken zoals ze bedoeld waren. Voorbeelden daarvan zijn de loonaangifteketen en de keten voor werk en inkomen, maar ook de ketensamenwerking rond de ontsluiting van het Nieuwe Handelsregister hoort in dit rijtje thuis. Aan de hand van de ervaringen van uw collega’s uit deze ketens geeft het dossier ‘Ketens de baas’ een antwoord op de hiervoor genoemde en andere vragen. Daarmee biedt het dossier u een op de praktijk gestoelde visie op het inrichten van organisatie overstijgende samenwerking. De principes en handvatten in het dossier kunt u toepassen in alle situaties waarin organisaties op gelijkwaardig niveau samenwerken, in ketens, maar bijvoorbeeld ook bij de samenwerking tussen gemeenten, binnen Regionale Uitvoeringsdiensten en tussen registerhouders en afnemers binnen het stelsel van Basisregistraties.

Dus, als u van de samenwerking met andere organisaties een succes wilt maken is het lezen van dit dossier de moeite meer dan waard!

Continue reading